Egbertusschool
samen leven en leren in veilige omgeving
Respect
Plezier
Veiligheid
Samen
 Leerstofaanbod groep 4

Hieronder ziet u per vakgebied de globale leerstof voor groep 4. Ook vindt u informatie wat u thuis kunt oefenen met uw kind. 

Rekenen
Getalbegrip: getallen t/m 100
  • Volgorde van getallen t/m 100
  • Verder- en terugtellen in sprongen van 10 vanaf een willekeurig getal
  • Schattend plaatsen van getallen op een lege getallenlijn met daarop twee getallen aangegeven
  • Springen op de getallenlijn met sprongen van 10 vanaf een willekeurig getal
  • Aanvullen tot volgend tienvoud
  • Optellen en aftrekken met tienvouden (bijv. 43+30; 64-20)
  • Aftrekken vanaf een tienvoud (bijv. 40-7; 50-3)
Rekenen t/m 10
  • memoriseren van optellen en aftrekken t/m 10
Rekenen t/m 20
  • Aftrekken t/m 20 met overschrijding van de tien: basisstrategie: rekenen via de tien
  • Aftrekken in contexten (verschilcontexten en aanvulcontexten)
Vermenigvuldigen
  • Begripsvorming bij vermenigvuldigen: relatie lange optelsom (herhaald optellen), tekening, sprongen op de getallenlijn en de term 'keer'
  • Begripsvorming bij vermenigvuldigen: relatie lange optelsom (herhaald optellen), tekening, sprongen op de getallenlijn en de term 'keer'
  • Constructie van de tafel van 5 met de strategieën halveren, één keer meer en één keer minder
Meten
  • Oppervlakten meten met een natuurlijke maat
  • Meten in meters en centimeters
Meetkunde
  • Bepalen van het standpunt van een fotograaf
  • Bouwsels maken met verschillende blokken en tekenen van bijbehorende plattegronden met hoogtegetallen
 Tijd
  • 5 en 10 voor of over
  • klokkijken: hele uren, halve uren en kwartieren op de analoge klok
  • relatie tussen de tijdmaten uur, half uur, kwartier en minuut
  • beleving van tijd (wat gebeurt er in een uur, half uur, kwartier, minuut)
  • verkenning jaarkalender
Geld
  • Euromunten en hun onderlinge waardeverhoudingen
  • Gepast betalen (verschillende manieren)
  • Betalen en terugkrijgen
Tip: 
Op rekenweb en online klas kun je allerlei manieren vinden om sommen te oefenen.

Taal
Bij taal zijn de leerdoelen opgesplitst in verschillende domeinen, te weten spreken en luisteren, taalbeschouwing, stellen en woordenschat. De thema's waarover we werken zijn fysiek en psyche, school en klas, uiterlijk en vrije tijd. De doelen staan hieronder per domein beschreven.

Spreken en luisteren
  • ervaren dat het bij communicatie niet alleen gaat om spreken en luisteren, maar dat ook non-verbale elementen een belangrijke rol spelen;
  • oefenen met verbale en non-verbale communicatie;
  • leren vraagwoord-vragen te formuleren;
  • leren vragen te beantwoorden;
  • ontdekken dat betekenissen van woorden veranderen;
  • een tekst beluisteren om informatie op te doen;
  • samen een web maken en bespreken;
  • discussieren en overleggen in tweetallen;
  • bedenken van een nieuw spel met spelregels.
Taalbeschouwing
  • leren dat communicatie meer is dan spreken alleen;
  • leren dat er ook ' gesproken' kan worden zonder woorden;
  • kennismaken met het begrip zin;
  • uitbreiden van zinnen door middel van vragen;
  • uitbreiden van zinnen door middel van vragen;
  • varieren van zindelen;
  • naamwoorden en dubbelwoorden;
  • doewoorden en zinnen.
Stellen
  • materiaal verzamelen door middel van het stellen van daartoe geeingende vragen;
  • schrijven van een groepsverhaal;
  • schrijven van een eigen verhaaltje met verzameld materiaal;
  • nadenken over het begrip volgorde;
  • een chronologische lijst maken;
  • ordenen van materiaal;
  • op basis van ordening een verhaal vertellen en schrijven;
  • zinnen langer maken door middel van vragen;
  • zinnen aanpassen aan een tijdsvolgorde.
Woordenschat
  • woorden met betrekking  tot de zintuigen;
  • ruimtes in de inrichting van het schoolgebouw;
  • andere betekenisaspecten van het woord school;
  • dubbelwoorden;
  • woorden met betrekking tot kleren om je te beschermen;
  • woorden met betrekking tot binnenspelen.
Tip:
Bekijk de doelen en breng het spelenderwijs aan de orde, wanneer een situatie zich voordoet. 

Spelling
Bij spelling leren we de volgende categorien aan:
  • worst,  schrijf het woord zoals je het hoort, met drie medeklinkers achteraan
  • struik, schrijf het woord zoals je het hoort, met drie medeklinkers vooraan
  • schaap, woorden met sch- en schr- zijn vaste klankgroepen. Je schrijft ze altijd zo.
  • geit, woorden met ei, woorden met au. Je kunt niet horen met welke ei/ij of au/ou je een woord moet schrijven. Die woorden met je onthouden.
Tip:
Wanneer je extra wilt oefenen, is BLOON een goede manier om te oefenen. Neem contact op met de juf, zodat zij een account voor je kan maken. 

Technisch Lezen
Bij technisch lezen werken we aan de volgende doelen:
  • eenlettergrepige woorden met th- en wr-.
  • tweelettergrepige woorden met -aai, -ooi, -oei.
  • tweelettergrepige woorden eindigend op -end.
  • tweelettergrepige woorden eindigend op -ig, -lijk en -ing.
  • tweelettergrepige woorden met stomme -e- in eerste lettergreep, maar niet met be-, ge- en -ver
  • tweelettergrepige woorden met -i- (uitspraak ie)
  • drielettergrepige woorden zonder leesmoeilijkheden.
  • drielettergrepige woorden eindigend op -eren, -elen, -enen
  • drielettergrepige woorden eindigend op -ig, -lijk, -ing.
  • woorden eindigend op -etje.
Tip:
Het is goed thuis te oefenen met lezen. Thuis is het vooral belangrijk dat het boek aansluit bij de belevingswereld van het kind. 
Vertel maar
Wanneer U er bezwaar tegen hebt, dat er (een) foto(‘s) met...