Egbertusschool
samen leven en leren in veilige omgeving
Respect
Plezier
Veiligheid
Samen

  4.3    De organisatie van de school: 
                wat hebben onze leerlingen nodig?

Op onze school kennen we zes groepen. Het betreft heterogene groepen. In schooljaar 2016 – 2017 kennen we de heterogene groepen 1/2 MD, 1/2 J, 3, 4/5, 6/7 en 7/8. Heterogeen wil zeggen dat kinderen van verschillende leeftijden in dezelfde groep zitten. Dit is enerzijds uit nood geboren: we kunnen nu eenmaal niet meer groepen formeren, anderzijds worden kinderen in de gelegenheid gesteld van elkaar te leren. Jongere kinderen leren vaak spelenderwijs van de oudere kinderen. Oudere kinderen helpen jongere kinderen. In de onderbouw zitten de kinderen van groep 1, 2, 3 en 4, de 4- t/m 8-jarigen. Zij gebruiken de drie lokalen aan de zijde van de Brederodestraat. In de bovenbouw zitten de kinderen van groep 5, 6, 7 en 8, de 9- t/m 12-jarigen. Zij gebruiken de drie lokalen aan de zijde van de Achterstraat. Door de heterogene organisatievorm krijgen de kinderen van nature een vrij zelfstandige werkhouding. De juf of meester kan immers maar op één plek tegelijk zijn. Je zult als kind dus zelfstandig, al dan niet met hulp van een ander kind, een oplossing moeten vinden voor het probleem waarmee je wordt geconfronteerd. In de homogene groepen wordt uiteraard ook gewerkt aan het ontwikkelen van een zelfstandige werkhouding. We vinden het belangrijk dat de groepen niet te groot worden. Het kleinschalige karakter is immers een door ouders genoemd sterk punt van de school. Mocht een groep meer dan 30 kinderen krijgen, zorgt de school voor ondersteuning in de vorm van extra handen in de klas en/of extra ruimte voor de kinderen.

4.3.1    Organisatie van zorg voor kinderen met specifieke behoeften
Zolang er onderwijs wordt gegeven, weten leerkrachten dat er altijd verschillen zijn in de mogelijkheden van kinderen. Zo zijn er kinderen die op het gebied van het leren, of op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling extra aandacht vragen. Extra hulp en aandacht maken het mogelijk om kinderen verder te helpen. Op onze school is deze hulp op verschillende manieren georganiseerd.
Binnen de klas kunnen kinderen extra aandacht krijgen van de leerkracht. Er wordt dan extra aandacht gegeven aan uitleg of oefening. Ook wordt er gedifferentieerd: niet ieder kind maakt in dezelfde tijd dezelfde hoeveelheid sommen op hetzelfde niveau. Leerkrachten zijn in staat om op reken- en taalgebied volgens de principes van ‘Doordacht lesgeven’ met inzet van coöperatieve werkvormen opbrengstgericht én handelingsgericht te werken.
Wanneer de leerproblematiek zodanig is, dat deze hulpvormen niet helpen, wordt er gezocht naar andere mogelijkheden. Het probleem van het kind kan via testen of onderzoek nader worden bekeken. Met behulp van specialisten binnen de school of begeleiders van buitenaf kan daarna worden gekeken of met ander materiaal of een andere aanpak betere resultaten zijn te bereiken. Wij kunnen dan de hulp van het Multi Disciplinair Overleg (MDO) van het “Profi Pendi” samenwerkingsverband inroepen. Door het goed bijhouden van de resultaten van de kinderen in een “leerlingvolgsysteem” kunnen wij de ontwikkeling van een kind vanaf de kleuterperiode tot aan groep acht goed volgen en bijsturen. De bijgehouden resultaten zorgen er ook voor dat de school een goede diagnose kan maken van haar eigen lesmethoden. Het leert ons als leerkrachten, waar het onderwijs nog kan verbeteren.
In het kader van ‘Passend Onderwijs’ is op alle scholen van het samenwerkingsverband een ontwikkeling ingezet, die ervoor moet zorgen dat scholen minder kinderen verwijzen naar het speciaal onderwijs en dat er minder kinderen blijven zitten. 

4.3.1.1    Visie op de ondersteuning van kinderen 
Zie bijlage.

4.3.2    Begeleiding van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften
Wij vinden het belangrijk dat alle kinderen zo veel mogelijk hun eigen speciale zorg krijgen. De leerkracht volgt de ontwikkeling van het kind op de voet. Dit gebeurt door observaties en toetsen. Als er opvallende aandachtspunten zijn, worden deze besproken met de intern begeleider en/of tijdens een teamoverleg. Bij dit overleg kunnen externen aanwezig zijn. Het overleg is bedoeld als consultatie voor de leerkracht. Deze krijgt adviezen om op adequate wijze met gesignaleerde problemen om te gaan. Dit kunnen problemen zijn op leergebied, maar ook sociaal-emotionele of motorische problemen kunnen aan de orde komen. Wanneer het aandachtspunt verder bekeken dient te worden, neemt de groepsleerkracht of de intern begeleider contact op met de ouder(s)/verzorger(s) om de aanpak te bespreken en om toestemming voor de uitvoering van de aanpak te vragen. De aanpak kan bestaan uit meer observeren, toetsen door de intern begeleider, of er wordt hulp gezocht van deskundigen buiten de school. Naar aanleiding van de uitslagen van het verdiepende onderzoek kan het volgende besloten worden:

  • extra aandacht in de klas,
  • een leerling waarvoor de extra aandacht in de klas niet voldoende is, krijgt in de eigen groep extra begeleiding (Remedial Teaching). Na korte of lange tijd kan de begeleiding ertoe leiden dat de leerling weer met de groep mee kan doen,
  • een aangepast programma in de klas.
Kinderen krijgen onderwijs dat bij hen past:
  • Alle scholen bieden een basis onderwijsaanbod. Die 'basisondersteuning' moet natuurlijk wel op orde zijn. We gaan daarbij uit van de criteria die de Inspectie van het Onderwijs hanteert.
  • De leerkrachten bieden ook ondersteuning aan kinderen die wat extra's nodig hebben. Er moeten dan keuzes gemaakt worden wat betreft de mogelijkheden in de groep en in de school. Het kan altijd beter, daarom zullen schoolbesturen investeren in het professionaliseren van de leerkrachten om steeds meer zelf, in de school, te kunnen doen aan preventie en ondersteuning.
Als de school het zelf niet meer kan, zal het multidisciplinair overleg (MDO) een advies opleveren. Voor uitvoering van dat advies kan men putten uit de ondersteuningsmogelijkheden die het samenwerkingsverband in haar netwerk heeft opgenomen, o.a.:
  • doorverwijzing naar een externe instantie;
  • extra onderzoek door iemand vanuit het samenwerkingsverband bijv. vanuit het OrthoPedagogisch Didactisch Centrum (OPDC);
  • verwijzing naar een school voor Speciaal Basisonderwijs (SbO) of Speciaal Onderwijs (SO).

Ouders hebben in het multidisciplinair overleg een belangrijke inbreng. Zonder deze inbreng kan er geen MDO plaatsvinden.

Zie ook: Afspraken over afname CITO LVS toetsen.

4.3.3    Begeleiding van de topleerling en de excellente leerling
Wat wij voor kinderen die ‘aan de onderkant’ uitvallen belangrijk vinden geldt uiteraard ook voor de kinderen die ‘aan de bovenkant’ uitvallen. Ook zij hebben recht op speciale zorg. De hierboven beschreven begeleiding geldt dan ook voor deze specifieke doelgroep.
 
Kinderen krijgen onderwijs dat bij hen past:
  • Alle scholen bieden een basis onderwijsaanbod. Die 'basisondersteuning' moet natuurlijk wel op orde zijn. We gaan daarbij uit van de criteria die de Inspectie van het Onderwijs hanteert.
  • De leerkrachten bieden ook ondersteuning aan kinderen die wat extra's nodig hebben. Er moeten dan keuzes gemaakt worden wat betreft de mogelijkheden in de groep en in de school. Het kan altijd beter, daarom zullen schoolbesturen investeren in het professionaliseren van de leerkrachten om steeds meer zelf, in de school, te kunnen doen aan preventie en ondersteuning.
  • Mogelijkheden die de school biedt zijn:
    • convergente differentiatie: het kind krijgt instructie en oefenstof die bij het kind past;
    • het aanbieden van verdiepings- en verrijkingsstof;
    • het eenmaal per week deel uit maken van de plusklas onder leiding van meester Ben.
Als de school het zelf niet meer kan, zal het multidisciplinair overleg (MDO) een advies opleveren. Voor uitvoering van dat advies kan men putten uit de ondersteuningsmogelijkheden die het samenwerkingsverband in haar netwerk heeft opgenomen, o.a.:
  • doorverwijzing naar een externe instantie;
  • extra onderzoek door iemand vanuit het samenwerkingsverband bijv. vanuit het Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum (OPDC);
  • verwijzing naar een school voor excellente leerlingen, dan wel de tijdelijke voorziening ‘plusklas’ van de stichting ‘Lek en IJssel’.
Ouders hebben in het multidisciplinair overleg een belangrijke inbreng. Zonder deze inbreng kan er geen MDO plaatsvinden.
Zie ook: ‘Beleidsplan excellente leerling’.

4.3.4    Begeleiding van het jonge kind
De eerste levensjaren van een kind zijn erg belangrijk. Gedurende de eerste vier schooljaren worden eventuele ontwikkelingsstoornissen in een vroeg stadium gesignaleerd. Op basis van deze signalering wordt door middel van aparte hulpprogramma’s voorkomen dat er in een later stadium problemen ontstaan. Eventuele individuele en langdurige ontwikkelingsprogramma’s worden in deze periode opgestart voor ‘jonge risico leerlingen (JRL)’. De uitvoering van deze programma’s vindt voor 4- en 5-jarigen plaats in de onderbouw.

4.3.5    De begeleiding van de overgang van kinderen naar het voortgezet onderwijs
In groep 8 zullen de kinderen regelmatig gesprekken houden met hun leerkracht over de diverse vormen van voortgezet onderwijs. Daarnaast worden ouders geïnformeerd over de diverse schooltypen en de verschillende mogelijkheden.
In de maanden januari en februari hebben de meeste scholen in onze omgeving open dagen waar u als ouder met uw kind naar toe kunt gaan. Ook groep 8 zal tenminste één vorm van voortgezet onderwijs bezoeken. Bij het maken van een schoolkeuze voor het voortgezet onderwijs informeert en adviseert de leerkracht van groep 8 de ouders. De resultaten van het leerlingvolgsysteem vanaf groep 5 t/m 8 en de entreetoets van groep 7 worden in het advies van de leerkracht meegenomen. In maart maken de ouders en het kind de definitieve keuze en melden de ouders hun kind aan op de school van hun keuze. De leerkracht van groep 8 schrijft voor ieder leerling een onderwijskundig rapport dat na de aanmelding naar de scholen gestuurd wordt. Vervolgens bespreekt de leerkracht van groep 8 de kinderen ook nog met de brugklascoördinator van het voortgezet onderwijs.
De toelatingscommissie van de school voor voortgezet onderwijs van uw keuze bepaalt uiteindelijk of uw kind tot de school kan worden toegelaten.
Zie ook: ‘Procedure Advisering en Aanmelding Voortgezet Onderwijs’.
Zie ook: ‘LWOO of PRO

4.3.6    Speciale voorzieningen in ons schoolgebouw
Het schoolgebouw van de Egbertusschool telt 6 groepslokalen, daarnaast zijn er voorzieningen zoals een speellokaal voor de groepen 1 en 2, een centrale ruimte en een computerlokaal. De gemeenschapsruimte kent een apart podiumgedeelte dat wordt gebruikt bij voorstellingen en tentoonstellingen. De gemeenschapsruimte wordt na schooltijd gebruikt voor de naschoolse opvang. In de klassen zijn diverse computers opgesteld. Alle lokalen beschikken over een smartboard of touchscreen.
Het gebouw is toegankelijk gemaakt voor gehandicapten en heeft de beschikking over een aangepast toilet. De school kent een gelijkvloerse toegang. Tevens heeft de school de beschikking over een directiekamer en administratiekamer, die ook wordt gebruikt voor vergadering van de MR, kinderen die apart mogen werken, ouderontmoetingsruimte. De eerste verdieping kent de volgende bestemmingen: ‘teamkamer, spreekkamer/IB-kamer’.

4.3.7    het volgend van de ontwikkeling van de kinderen in de school
Zie bijlage.

4.3.8     Zittenblijven (een groep ‘overdoen’)
De Egbertusschool streeft er naar het zittenblijven tot een minimum te beperken. In groep 1/2 bestaat de mogelijkheid van een verlengde leerweg. Het kind doet geen twee, maar drie jaar over de aangeboden leerstof. Dit is een vorm van zittenblijven die op de Egbertusschool een enkele keer kan voorkomen. Omdat in de groepen 1 t/m 4 de basis van de ontwikkeling van een kind wordt gelegd, kan een kind in groep 3 of 4 blijven zitten, wanneer het zich op alle fronten onvoldoende ontwikkeld heeft. Uiteraard komen we in goed overleg met de ouders tot een dergelijk besluit.

Kinderen uit de groepen 5 t/m 8 blijven in principe niet meer zitten. Dat heeft namelijk niet meer zoveel zin. Het is zinvoller om het kind een aangepast programma te bieden. Uitzonderingen blijven echter mogelijk, bijvoorbeeld wanneer het welbevinden van het kind in het geding is.
Zie ook: ‘Protocol doorstromen doubleren of versnellen’.

4.3.9    Versnellen (een groep overslaan)
De Egbertusschool streeft er naar het versnellen tot een minimum te beperken. In groep 1/2 bestaat de mogelijkheid van een verkorte leerweg. Het kind doet geen twee, maar (ruim) één jaar over de aangeboden leerstof. Dit is een vorm van versnellen die op de Egbertusschool een enkele keer kan voorkomen. Omdat in de groepen 1 t/m 4 de basis van de ontwikkeling van een kind wordt gelegd, kan een kind in groep 3 of 4 versnellen, wanneer het zich op alle fronten bovengemiddeld ontwikkeld heeft. Uiteraard komen we in goed overleg met de ouders tot een dergelijk besluit.
Kinderen uit de groepen 5 t/m 8 versnellen in principe niet meer zitten. Dat heeft namelijk niet meer zoveel zin. Het is zinvoller om het kind een aangepast programma te bieden. Uitzonderingen blijven echter mogelijk, bijvoorbeeld wanneer het welbevinden van het kind in het geding is.
Zie ook: ‘Protocol doorstromen doubleren of versnellen’.

4.3.10    Intern begeleider Egbertusschool
Met welke taken houdt de intern begeleider zich op de Egbertusschool bezig?

4.3.11    De GGD voor kinderen in het basisonderwijs
De afdeling Jeugdgezondheidszorg van GGD regio Utrecht ondersteunt en adviseert ouders, kinderen en jongeren bij het gezond opgroeien. Daarom onderzoekt de GGD alle kinderen op verschillende leeftijden, om zodoende kinderen die extra ondersteuning nodig hebben op tijd te signaleren.
De GGD werkt nauw samen met andere professionals die zich inzetten voor de gezondheid, groei en ontwikkeling van de jeugd. Aan elke school is een jeugdgezondheidszorgteam van de GGD verbonden. Dit team bestaat uit een jeugdarts, een jeugdverpleegkundige en een assistente JGZ.
Zie bijlage voor meer informatie.

4.3.12    Schoolmaatschappelijk werk
Onze school mag gebruik maken van het schoolmaatschappelijk werk. Het gebeurt soms dat ouders aangeven problemen te hebben met hun kind(eren) en daar graag eens met een deskundige over te willen praten. De leerkracht of de intern begeleider kan dan contact opnemen met de schoolmaatschappelijk werkster. Vaak zijn het heel concrete adviezen die zij geeft, die de ouders al een heel eind op weg helpen.

4.3.13    Logopedie
Kinderen die spraakproblemen hebben, kunnen voor hulp terecht bij de logopedist. Dit gebeurt in overleg met de ouders en de leerkracht. Ouders hoeven het advies om deze hulp te zoeken voor hun kind niet op te volgen. U moet er echter wel van uitgaan dat dit advies niet zomaar gegeven wordt en dat kortstondige logopedische hulp al voldoende kan zijn. Bovendien worden deze kosten vergoed.

4.3.14    Stagiaires
Bij ons op school hebben wij geregeld stagiaires van de Hogeschool Utrecht (HU). Zij geven onder begeleiding en verantwoording van de groepsleerkracht lessen. Oudere stagiaires mogen in het derde en vierde studiejaar ook dagdelen alleen in groepen werken. Het kan voorkomen dat vierdejaars studenten bij ons naar een stageplaats solliciteren om het laatste deel van hun opleiding af te ronden door een langdurige stage. Zij staan dan hele dagen alleen voor een groep maar worden door een leerkracht op gepaste afstand gevolgd en begeleid. De eindverantwoordelijkheid blijft natuurlijk in handen van de vaste leerkracht. Wij vinden dat de school jonge mensen de mogelijkheid moet bieden om ervaring op te doen in de onderwijspraktijk.

4.3.15    Klassenassistent
Soms komen klassenassistenten als stagiaires van de opleiding ‘klassenassistent en/of onderwijsassistent’ van het ROC uit Utrecht. Zij zullen dan voor een aantal dagen per week bij ons op school aanwezig zijn. Klassenassistenten helpen de leerkracht. Ook kan het voorkomen dat de klassenassistent soms met een klein groepje aan het werk is.

4.3.16    Onderwijsassistent
De pedagogisch medewerkers van de Stichting Kinderopvang Vianen, die de voor- en naschoolse opvang voor hun rekening nemen, worden onder schooltijd ingezet als onderwijsassistenten in de groep 3/5. Op deze wijze zorgen wij in deze groep voor extra handen. De pedagogisch medewerkers worden daardoor voor de kinderen een vertrouwd gezicht. Het pedagogisch klimaat (Hoe gaan we met elkaar om?) is voor, onder, tussen en na school hetzelfde. Dat geeft een veilig gevoel!

4.3.17    Vervanging van leerkrachten
We streven er naar om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen. Ook in het onderwijs worden we geconfronteerd met de maatschappelijke bewegingen, waardoor er meer in deeltijd gewerkt wordt. Verschillende groepen hebben daardoor twee leraren. Bij ziekte of afwezigheid van een leerkracht wordt de klas waargenomen door een vervanger/ster. We streven er naar de kinderen niet naar huis te sturen. Is er geen mogelijkheid een vervanger te krijgen, dan wordt het probleem intern geregeld door bijvoorbeeld plaatsing bij een andere groep. Mocht de afwezigheid langer dan een dag duren, zonder dat er vervanging gevonden kan worden, bestaat de mogelijkheid een groep kinderen thuis te houden. In dit uiterste geval wordt u minimaal één dag van te voren geïnformeerd, zodat u tijdig oppas kunt regelen. Wanneer een klas wordt vervangen, ligt het lesprogramma al klaar. Zo kunnen we er voor zorgen dat het lesprogramma door kan blijven gaan.
Zie ook: ‘Noodplan’.
 
 
Vertel maar
Wanneer U er bezwaar tegen hebt, dat er (een) foto(‘s) met...